‘Het complete verhaal achter Woonlandschap de Leyhoeve.’

Het verhaal achter De Leyhoeve is van een bijzondere en persoonlijk aangrijpende aard. De tomeloze passie, doorzettingsvermogen en visie die hieruit voort komt, vindt gelijkgezinden, brengt mensen bij elkaar, doet handen ineen slaan en verlegd grenzen, die hoognodig verlegd moeten worden. Tijd voor een nieuw elan, een nieuwe kijk op gastvrijheid en verzorging, een nieuwe invulling van ‘Samen aangenaam oud worden’.

Wie het Moerse Pad, langs het Wilhelminakanaal in westelijke richting volgt, komt op een gegeven moment vanzelf in Dongen. Toon fietste als tiener graag op de kanaaldijk. Hij pendelde dan een kilometer of wat westelijk, vanuit Tilburg Oud-Noord, tot vlak voor de kanaalhaven van Dongen. Alleen langs de dijk kwam de wereld soms voorbij, wist hij, in binnenvaartschepen snijdend door het water op weg naar de haven van Tilburg. ’s Zomers zwom hij er met zijn vrienden, dan dobberden ze op de golven die de binnenvaartschepen achterlieten. Sommige schippers riepen dan boos naar de gastjes in het water: “Pas op stelletje domoren, wat jullie doen is levensgevaarlijk!” De jongens lachten alleen maar, daar ben je een tiener voor. De rest was onbelangrijk. Dat gold ook voor meisjes. Ook al zou dat voor Toon snel veranderen.

Toon zag Heleen voor het eerst toen hij op weg naar huis was. Hij had haast want hij was laat. Ze stond er opeens, als een geest die uit het niets was verschenen. Was hij aan het dromen? Werd hij in de maling genomen? Een onzichtbare kracht had zijn hoofd gedraaid. Had hij niet omgekeken, dan had hij haar nooit gezien. Aan de overkant zag je bijna nooit mensen, wist Toon. Een visser op de kade wellicht, maar een meisje zo mooi als dit meisje zeker niet. Hij schrok van haar onverwachte aanwezigheid. Hij, een 15-jarige knul nog, oog in oog met het mooiste meisje dat hij ooit had gezien. Hij wilde naar haar zwaaien, maar zo snel als ze was verschenen, zo snel was ze ook weer weg.

De zaterdag daarop was ze er weer. Ze had haar fiets tegen de boom bij het pad naar Dongen gezet en tuurde voor zich uit. Toon stond zenuwachtig aan de overkant. Natuurlijk had hij gehoopt dat ze er weer zou zijn, maar toen hij haar aan zag komen fietsen, klopte zijn hart in zijn keel en stroomde het zweet van zijn rug. Zijn maag voelde alsof er vingers in zaten die hem kriebelden. Het was de tweede keer dat hij haar zag en alles wat hem inviel was zwaaien. De derde zaterdag riep hij: “Ik ben Toon” en vroeg hij naar haar naam. De vierde zaterdag wilde hij weten waar ze woonde. En de vijfde zaterdag nam hij iets voor haar mee.

“Wacht even”, riep hij naar de overkant. “Nog niet weggaan, ik heb iets voor je. Wacht, ik kom eraan.”

En dus fietste hij een kilometer oostelijk naar de klapbrug aan het Kraaiven, stak het kanaal over en fietste dezelfde afstand terug in westelijke richting. Tot zijn grote opluchting zag hij dat ze op hem had gewacht. Ze hield de fiets in haar hand. Toon hijgde.

“De volgende keer zwem ik naar de overkant”, zei hij.

“Ik moet nu echt gaan”, antwoordde Heleen. “Het eten is zo klaar.”

“Hier”, zei hij. “Voor jou, het is de mooiste steen die ik heb.”

Het meisje stak de steen in haar broekzak en giechelde zoals alleen tienermeisjes giechelen en hij smolt. Zo ging het wekenlang door. Zaterdag na zaterdag fladderden ze naar dat ene plekje op de kanaaldijk.

“Het uitzicht is hier zo mooi”, zei ze. Aan de overkant ontvouwde zich het groene Brabantse platteland. Ze zaten op de bagagedragers van hun fietsen, ellenbogen leunend op het zadel.

“Maar het is niet compleet”, antwoordde Toon. “Volgende week heb ik een verrassing voor je”, zei hij mysterieus. Hij was er in het geheim al een tijdje mee bezig. Eerst had hij een schets gemaakt, daarna had hij het juiste hout gekocht en daarvan planken op maat gezaagd. Bij zijn vader, die aannemer was, liet hij betonblokken maken. Vader vroeg zich af of zijn zoon nog wel goed bij zijn hoofd was. Toontje is verliefd, dacht hij. Doe je niks aan. Met de bakfiets van de bakker bracht Toon de blokken naar de kanaaldijk. Hetzelfde deed hij met de planken, rustend op zijn jongensachtige schouders. Twee houten poten staken uit het beton. Op de kade groef hij twee kuilen en liet de betonblokken er voorzichtig in zakken. De planken klonk hij stevig vast aan de poten. In de bovenste bank kerfde hij de letters H&T. Met een hartje erbij, om voor eens en altijd duidelijk te maken hoe het tussen hen zat. Als je iets wilt moet je het gewoon doen, dacht hij en stak zijn handen trots in zijn zij.

“Je mag nu kijken”, fluisterde hij de zaterdag daarop. “Ik heb het voor jou gemaakt.”

De jaren verstreken. Toon en Heleen trouwden. Ze beloofden bij elkaar te blijven, in voor en tegenspoed, tot de dood hen zou scheiden. Hij bouwde hun huis en werkte hard aan zijn bouwbedrijf. Heleen zorgde voor de kinderen en het huis. Jaar in jaar uit gingen ze terug naar die ene plek aan de kanaaldijk. Eerst met z’n tweeën, later met de kinderen. Het bedrijf groeide gestaag door. Hij en Heleen werden ouder, de kinderen verlieten het ouderlijke huis. Het leven deed wat het leven doet, het ging door.

Die dinsdag dat ze het slechte nieuws hoorden zal hij nooit meer vergeten. Heleen had al langer last, maar veel was nog onduidelijk tot dan. De arts had gewaarschuwd dat het een moeilijke, soms ondraaglijke, reis zou worden. En hij kon ze niets garanderen. Twee mensen die altijd voor elkaar hadden gezorgd, werden plots door een charge van het leven tot het uiterste van hun kunnen gedreven. Hoe hard en vurig ze ook probeerden, Heleen kon niet meer thuis wonen. Dat was hun nieuwe realiteit. Deze twee mensen, die nog nooit zonder elkaar waren geweest, werden uit elkaar gehaald. Niet wetende voor hoe lang en of ze überhaupt ooit nog bij elkaar zouden zijn. Toon, pragmatisch als hij is, voelde zich volkomen machteloos. Elke keer als hij door de, naar schoonmaakmiddel en jodium stinkende, gangen van het verpleegtehuis liep, borrelde de frustratie in hem op. Gedachten schoten door zijn kop. Dit was niet wat hij haar had beloofd. Dit was niet de afspraak die ze samen hadden gemaakt. Dit was onwaardig. In de namaakhuiskamer, aan de namaak open haard, in het namaakhuis met zijn makkelijk schoon te houden vinylvloeren, zag hij ze zitten. De vele anderen in dezelfde situatie. Ook bij hen proefde hij de teleurstelling en de boosheid. En zag hij hoe de machteloosheid ook hen in een houdgreep hield.

Hij wilde terug naar het bankje, naar de plek die hij tijdens de consternatie van de voorbije maanden bijna vergeten was. Hij wilde terug naar het begin, waar hij alles dat nu dreigde te ontwortelen nog steeds verankerd in zijn herinneringen terug zou vinden. Het bankje was verwaarloosd. Er zat mos op en de kleur was nagenoeg verdwenen. Diepe barsten verrieden het knagen van de jaren. Het bankje, dat hij jaren geleden met zoveel hartstocht had gemaakt, dreigde te vergaan. En dus kocht hij nieuwe planken, een pot verf en wat schuurpapier en knapte het bankje op. Meer kon hij niet doen, maar het betekende zoveel.

Voorzichtig nam hij plaats op het bankje, legde zijn rechterarm waar normaal Heleen zou zitten en keek naar de overkant. Het uitzicht was veranderd. De Reeshof lag er nu. Even was Toon weer 15 jaar oud. In zijn gedachten zag hij twee fietsen tegen de boom. Hij voelde haar hoofd tegen zijn schouder. En zijn arm om haar heen. Hij proefde haar lippen en hoorde haar stem. Dit had niet mogen gebeuren, dacht hij. Misschien kon hij Heleen op dat moment niet bieden wat zij verdiende, hij kon er wel voor zorgen dat anderen die het nodig hadden een respectvolle plek kregen waar ze voor hun zorg terecht kunnen. Een tijdelijk thuis waar ze gastvrij en met warmte ontvangen worden. Voor rijk en arm, voor jong en oud. Een woonlandschap met zeker 200 woonruimtes en alle ingrediënten van een dorp. Hij zag het helemaal voor zich. Een moderne uitgeruste accommodatie moest het worden, gerealiseerd vanuit de behoefte van de mens en niet vanuit een anonieme kille begroting. Dat moest toch zeker mogelijk zijn? Hij kende vanuit zijn bedrijf zoveel mensen en partijen die hem daarbij konden helpen. Mensen waarvan hij wist dat ze hem ook zouden helpen. “Leyhoeve”, fluisterde hij tegen zichzelf. Toon stond op van het bankje en stak zijn handen in de zakken van zijn jas. Hij zette zijn kraag omhoog. Er was werk aan de winkel!


Deelt u mee in deze droom of wilt u meedenken in de ontwikkeling van Woonlandschap de Leyhoeve?
Schrijf u dan nu in voor een geheel vrijblijvende rondleiding op De Leyhoeve door hier te klikken.